De geschiedenis van het World Wide Web: Web1
Het web gaat een nieuwe fase in. AI zorgt voor een flinke verandering in activiteit op het internet. Het is niet de eerste keer dat we zo'n verandering meemaken; dit is het begin van het vierde tijdperk in de geschiedenis van het World Wide Web. Wat is er in de afgelopen 35 jaar gebeurd. We beginnen bij het begin: Web1.
Toen Tim Berners-Lee in 1989 bij CERN een voorstel schreef voor een gedistribueerd hypertextsysteem, kon hij moeilijk vermoeden dat dit zou uitgroeien tot het dominante publicatieplatform van de moderne geschiedenis. Toch is dat precies wat er gebeurde. Wat we achteraf Web1 noemen – grofweg de periode van 1990 tot 2004 – markeert de fase waarin het internet een publieksmedium werd.
Het is belangrijk om meteen één misverstand weg te nemen: Web1 is niet hetzelfde als het internet. Het internet bestond al decennia eerder als netwerk van netwerken. Web1 verwijst specifiek naar de eerste fase in de geschiedenis van het World Wide Web als bovenlaag op dat internet, een fase die gekenmerkt werd door statische pagina’s, beperkte interactie en een duidelijke scheiding tussen zender en ontvanger.
Dit is het verhaal van hoe die laag ontstond, volwassen werd en uiteindelijk de basis legde voor alles wat daarna kwam.
Een stapje (verder) terug
Om Web1 te begrijpen, moeten we kort terug naar het prille begin. In oktober 1969 werd via ARPANET de eerste host-to-host verbinding tot stand gebracht tussen UCLA en het Stanford Research Institute. Het eerste bericht, 'LO' (de bedoeling was “LOGIN”, maar het systeem crashte), wordt vaak gezien als het symbolische begin van het internet.
Een cruciale technische mijlpaal volgde op 1 januari 1983, toen ARPANET officieel overstapte op het TCP/IP-protocol. Deze migratie wordt algemeen beschouwd als het moment waarop het moderne internet in protocolzin werd geboren.
Niet veel later, in 1983/1984, werd het Domain Name System (DNS) gespecificeerd in RFC 882/883 en later gestandaardiseerd in RFC 1034 en 1035. DNS maakte het mogelijk om mensvriendelijke domeinnamen te koppelen aan IP-adressen – essentieel voor schaalbaarheid.
Met TCP/IP en DNS lag de infrastructuur klaar. Wat nog ontbrak, was een universele manier om informatie toegankelijk en navigeerbaar te maken voor mensen. Dat werd het web.
De uitvinding van het World Wide Web
In maart 1989 diende Tim Berners-Lee bij CERN zijn voorstel in voor een informatiesysteem gebaseerd op hypertext. Het doel was pragmatisch: wetenschappers beter laten samenwerken door documenten onderling te linken. Daarvoor werden drie bouwstenen bij elkaar gezet:
- URL (Uniform Resource Locator) – adressering
- HTTP (HyperText Transfer Protocol) – transport
- HTML (HyperText Markup Language) – documentstructuur
Eind 1990 draaide de eerste webserver (info.cern.ch, hij is nog steeds live) en werd de eerste browser ontwikkeld. In 1991 werd het web publiek beschikbaar.
Architectonisch gezien was dit revolutionair door zijn minimalisme. HTTP was stateless, HTML eenvoudig, en het hele systeem was ontworpen voor open distributie. Er was geen centrale directory nodig; links waren voldoende. Een meesterzet; niet alleen omdat het initiële doel behaald was, maar ook omdat dat doel met het knippen van de vingers weer verder uitgebreid kon worden. En dat gebeurde.
Mosaic en de doorbraak naar het grote publiek
De echte - of volgende - doorbraak kwam in 1993 met NCSA Mosaic, ontwikkeld aan de University of Illinois. Mosaic was niet de eerste browser, maar wel de eerste die breed werd verspreid en gebruiksvriendelijk was. Een belangrijke innovatie was het inline weergeven van afbeeldingen binnen pagina’s. iets wat de aantrekkingskracht van websites enorm vergrootte.
Mosaic leidde direct tot commerciële initiatieven. Een deel van het Mosaic-team richtte Netscape op, dat in 1994 de Navigator-browser lanceerde. Netscape werd al snel dominant en zette de standaard voor vroege webontwikkeling.
Hier begon wat nu de 'browseroorlog' werd genoemd; een strijd die niet alleen ging om marktaandeel, maar ook om de richting van webstandaarden. Proprietary extensies, incompatibele HTML-implementaties en JavaScript-innovaties zorgden voor snelle vooruitgang, maar ook fragmentatie.
Kenmerken van Web1
Wat Web1 kenmerkt, is niet het ontbreken van interactie – die was er via e-mail, formulieren, gastenboeken en nieuwsgroepen – maar het feit dat het web zelf primair een publicatiemedium was.
Kenmerkend waren:
- Statische HTML-pagina’s
- Server-side scripting via CGI, later PHP en ASP
- Tabelgebaseerde layouts
- Directory-structuren als navigatiemiddel
- Portals als toegangspoort (Yahoo, AltaVista)
Zoekmachines speelden een cruciale rol. Vóór algoritmische zoekdominantie waren directories (menselijk gecureerde lijsten) leidend. Yahoo begon bijvoorbeeld als handmatige index van websites.
Het web was in deze fase vooral een verzameling documenten. De browser was een viewer, geen runtime-omgeving voor complexe applicaties.
Commercialisering en de dotcombubbel
Halverwege de jaren ’90 verschoof het web van academisch experiment naar commercieel platform. Bedrijven zagen kansen in e-commerce, online advertising en digitale dienstverlening. Steeds meer mensen kregen een computer thuis en er werd steeds meer mogelijk op het online vlak.
De hype culmineerde in de dotcombubbel. Op 10 maart 2000 bereikte de NASDAQ een piek van circa 5.048 punten, waarna een dramatische correctie volgde. Veel startups stortten in omdat businessmodellen ontbraken. Toch was de crash geen einde, maar een zuivering. Overlevers investeerden in robuustere infrastructuur, schaalbare architecturen en echte waardeproposities.
Dat zorgde weer voor een doorstart. Voor IT-architectuur betekende deze periode:
- Professionalisering van hosting
- Opkomst van datacenters
- Groei van LAMP-stacks (Linux, Apache, MySQL, PHP)
- Betere beveiligingspraktijken
Web1 werd daarmee minder experimenteel en meer industrieel. Gaan we dit jaar weer zo'n bubbel zien ontploffen?
Technische kenmerken van Web1
Vanuit technisch perspectief had Web1 enkele bepalende eigenschappen:
1. Stateless communicatie
HTTP was ontworpen als stateless protocol. Elke request stond op zichzelf. Sessies moesten via cookies of server-side opslag worden geïmplementeerd.
2. Servercentrische logica
De meeste logica draaide op de server. De browser had beperkte scriptingmogelijkheden (JavaScript werd pas in 1995 geïntroduceerd door Netscape).
3. Beperkte clientcapaciteit
Browsers waren relatief simpele rendering-engines. Er was geen volwaardige JavaScript-runtime zoals later bij Web2.
4. Beveiliging in ontwikkeling
SSL (Secure Sockets Layer) werd midden jaren ’90 geïntroduceerd om versleutelde communicatie mogelijk te maken. Dit maakte, onder andere, dat e-commerce mogelijk werd. Toch bleef security reactief en versnipperd.
Consolidatie en de kiem van Web2
Na de bubbel barstte het web niet uiteen – het werd volwassener. Infrastructuur werd schaalbaarder en betrouwbaarder. Breedbandinternet nam toe. Webapplicaties werden dynamischer.
Tegelijk ontstonden de eerste platformachtige diensten die later als Web2 zouden worden gelabeld. Wikipedia ging live in 2001 (History.com). Het idee dat gebruikers massaal content konden produceren en beheren, begon tractie te krijgen.
Rond 2005 werd de term 'Web 2.0' populair via O’Reilly Media, waarmee impliciet werd aangegeven dat de eerste fase – Web1 – achter ons lag. Maar die eerste periode was er niet voor niets.
De legacy van Web1
Web1 was misschien statisch, maar fundamenteel transformerend. We kunnen er niet omheen; de eerste jaren in de geschiedenis van het World Wide Web legden het fundament voor wat we nu kennen. De URL's en HTML's zijn bij iedereen met de minste technische kennis wel bekend, en het bracht meer:
- Universele publicatie zonder distributiekosten
- Open standaarden als norm
- Het idee van hyperlinking als primaire navigatie
- Een mondiale infrastructuur voor informatie
Belangrijker nog: Web1 bewees dat open protocollen schaalbaar zijn. TCP/IP, HTTP en HTML bleken robuust genoeg om tientallen jaren later nog steeds de ruggengraat van het internet te vormen. Voor IT-professionals is dat de belangrijkste les van Web1: eenvoudige, open standaarden kunnen exponentiële impact hebben.
De geschiedenis van het World Wide Web start hier
Web1 was de pioniersfase van het web als publiek medium. Het begon met een hypertextvoorstel bij CERN, groeide dankzij Mosaic en Netscape uit tot massaplatform, en overleefde de dotcombubbel om volwassen te worden als infrastructuur.
Het was een tijdperk van statische pagina’s, serverlogica en beperkte interactie, maar ook van radicale openheid en technologische eenvoud.
De geschiedenis van het World Wide Web start hier. Zonder Web1 geen Web2, geen Web3 en geen Web4. De fundamenten die in deze periode zijn gelegd vormen nog altijd de kern van de digitale wereld waarin we werken.
In 2004 verschoof het zwaartepunt van publiceren naar participeren. Volgende week duiken we in Web2; het tijdperk van platforms, user-generated content en de webapp als dominante softwarevorm.